De kloof tussen theorie en praktijk

KloofHet gasdebat van vandaag zal over vele dingen gaan, maar niet of nauwelijks over Winningsplan 2016. Dat is namelijk nog niet af. En omdat Winningsplan 2013 inclusief wijziging is vernietigd door de Raad van State (waarvoor dank), is er op dit moment geen up to date winningsplan.

NAM pompt dus min of meer in een beleidsmatig vacuüm.

De vernietiging van Winningsplan 2013 was een gevoelige nederlaag voor Shell en Exxon. Het hing vooral op de inschatting van de risico’s. Zij zullen er dus alles aan doen om dat onderdeel in Winningsplan 2016 stevig af te dekken. Letten ze bij Groninger huizen niet of nauwelijks op funderingsschade, hun eigen winningsplan bouwen ze het liefst op een fundering die de kritiek van de Raad van State moeiteloos kan doorstaan.

Het gaat er dit keer niet alleen om de risicobeoordeling deugdelijk te laten lijken. Het ding moet ook nog deugdelijk zijn – binnen de kaders die de overheid daarvoor schept. (Addertje onder het gras!)

Namens Kamp heeft een wetenschappelijke adviescommissie, bestaande uit mensen die veelal een link met Shell hebben (dus niet onafhankelijk), de modellen van NAM tegen het licht gehouden. Die commissie heeft onlangs een tussenrapport gepubliceerd – in het Engels.

Erg technisch allemaal. Ik heb het document vertaald in het Nederlands, en probeer hieronder de dingen die ik enigszins snapte in eenvoudige taal te duiden.

  • NAM sorteert voor op ‘veilig produceren’ bij 33 miljard kuub per jaar. De politieke realiteit is echter dat we nooit meer boven de 27 miljard van de Raad van State uit zullen komen. Sterker nog, de maatschappelijke druk om de productie verder te verlagen neemt met de dag toe. Ook tijdens het gasdebat vandaag zal er in enige mate bingo gespeeld worden.
  • In de risicomodellen wordt wél rekening gehouden met instortende gebouwen, maar niet met de externe risico’s en gevaren, zoals industrie, infrastructuur en overstromingen.
  • Ook aan niet-levensbedreigende schade aan gebouwen wordt in de modellen van NAM relatief weinig aandacht besteed. En dat terwijl het aantal beschadigde huizen in Groningen jaar op jaar exponentieel toeneemt.
  • De verdeling van de productie over het veld wordt gebaseerd op operationele beperkingen. Naar risico’s wordt hierbij niet of nauwelijks gekeken. NAM-logica dicteert dat er in de productiemodellen in gebieden met weinig seismiciteit weinig wordt gewonnen, maar in het zuiden en zuidwesten, waar de seismiciteit toeneemt, juist meer.
  • Het “regeldeel” van het Meet- en Regelprotocol is gehuld in nevelen. In dit deel zou NAM concreet kunnen ingaan op twee oplossingen die vanuit de maatschappij worden aangedragen: productietempo omlaag, en injectie van stikstof of water om de druk in het veld op peil te houden. Maar dat doet NAM dus niet – of althans niet openlijk, zodat de adviescommissie er ook naar kan kijken.
  • NAM heeft nog erg veel aannames, en die zijn vooral ‘conservatief’. Ze doen een beetje alsof het knap van ze is dat ze in hun modellen met het allerergste rekening houden, maar aannames, conservatief of niet, vertekenen het beeld. Hoe minder aannames, hoe beter.
  • Een goede simulatie is niet-stationair, dat wil zeggen dat iedere verandering wordt meegenomen in de simulatie vanaf het moment van de verandering. NAM vindt zelf dat hun model niet-stationair is. Maar in de simulatie van de kwetsbaarheid van gebouwen wordt totaal geen rekening gehouden met de effecten van beving op beving op beving. Het is alsof na iedere beving beschadigde of zelfs ingestorte gebouwen direct weer hersteld worden. (Kaboutertjes?)
  • Ook kunnen Groningers in de simulatie van NAM meerdere keren doodgaan. (Dat is de Grunneger wilskracht. We laten ons niet kisten!)
  • In het totaalplaatje zouden álle risico’s moeten worden gesimuleerd, zodanig dat ook de effecten van die risico’s op elkaar zichtbaar worden. Maar dat gebeurt niet. Het risico van vallende objecten wordt bijvoorbeeld apart gemodelleerd.
  • Het effect van versterking op de kwetsbaarheid van gebouwen wordt met de natte vinger ingeschat. Komt onder meer doordat er ruim drie jaar na de Huizinge-beving nog nauwelijks gebouwen versterkt zijn. En dat komt weer doordat er eerst onderzoek moest worden gedaan. Heel veel onderzoek.
  • Het wordt een hele toer om alle huizen te vinden die versterkt moeten worden. De catalogusaanpak (ook een soort natte vinger) moet dat probleem deels ondervangen, maar iedereen is het er over eens dat er een zekere mate van overkill in de versterking zal moeten zitten. Die overkill schat NAM zelf veel te laag in.

En, last but not least, even terug naar het addertje onder het gras:

  • De risico’s worden beoordeeld op basis van criteria die door Commissie Meijdam zijn vastgesteld. Dit is een bestuurlijke commissie, die de opdracht heeft gekregen om te komen tot een ‘maatschappelijk aanvaard risicobeleid’. Dat is een zelfbedachte term. Risico is risico, en wetenschappelijk onderzoek hoort niet beperkt te worden tot iets wat de partijen van de Maatschap Groningen het beste uitkomt, alleen omdat het minder kost.
  • Zie in dit verband ook deze lezenswaardige column van emeritus hoogleraar Veiligheid & Rampenbestrijding Ben Ale, in het tijdschrift Ruimtelijke veiligheid en risicobeleid: ‘Er komt geen redelijk aardgasbeleid‘.

Conclusie

NAM en Kamp moeten nog heel wat rimpeltjes glad strijken voor het gasdebat van komend najaar, als Winningsplan 2016 op de rol staat.

Ik hoop dat de belangrijkste documenten tegen die tijd keurig in het Nederlands vertaald worden, en van een leeswijzer worden voorzien. Het wetenschappelijke jargon maakt dat het zelfs mij soms moeite kost om te zien hoe we nou weer verneukt worden, in de kloof tussen theorie en praktijk.

PS Op- en aanvullingen zijn altijd welkom.

Veiligheidsregio Groningen hanteert verkeerd uitgangspunt

je hebt meer in huis dan je denktOp de site van Veiligheidsregio Groningen staat het Incidentbestrijdingsplan Aardbevingen (februari 2014), hierna te noemen IBP.

Dat is mooi, want in Groningen worden steeds zwaardere geïnduceerde bevingen verwacht. En bij zwaardere bevingen zijn “incidenten” zoals instortende huizen, wegvallende nutsvoorzieningen, industriële ongelukken en andere rampspoed niet uitgesloten.

Veiligheidsregio Groningen hanteert volgens mij een scenario dat op de verkeerde leest is geschoeid. Ik leg hieronder uit hoe ik tot die conclusie ben gekomen.

Grondversnelling (PGA-waarden)

De versnelling is de mate waarin de grond tijdens een beving heen en weer beweegt. Veiligheidsregio Groningen meldt dat er bevingen met een kracht tot 4,1 op de schaal van Richter kunnen plaatsvinden, met een berekende grondversnelling van 0,12 g (oftewel 120 cm/s2).

Dat is informatie die minister Kamp in januari 2014 naar buiten heeft gebracht.

Vanuit de gedachte “better safe than sorry” heeft Veiligheidsregio Groningen zich voorbereid op een nóg forsere beving: 5,0 op de schaal van Richter.

Over de grondversnelling die bij een dergelijke beving hoort, wordt in het document met geen woord gerept.

Wel verwijst Veiligheidsregio Groningen indirect naar de risico-analyse die SodM in januari 2013 publiceerde.

Deze analyse bevat de volgende berekende PGA-waarden voor een zware beving bij Huizinge (epicentrum van de beving op 16 augustus 2012):

PGA + Doden Huizinge

Zoals u ziet, varieert de berekende grondversnelling van 0,08 tot 0,49 g (oftewel 80 tot 490 cm/s2).

Intensiteit

De schaal van Richter zegt alleen iets over de vrijgekomen energie bij een beving. Het is de intensiteit die aangeeft welke schade er aan de oppervlakte ontstaat.

Intensiteit kun je bepalen door na iedere beving te inventariseren wat mensen precies ervaren hebben en welke schade er is ontstaan. Voor zover mij bekend stelt het KNMI de intensiteit vast op basis van meldingen (telefonisch en via hun website).

Veiligheidsregio Groningen gaat voor het geschetste scenario uit van intensiteit VII op de Europese Macroseismische Schaal (EMS).

Daar horen de onderstaande gevolgen bij:

“Veel mensen zijn geschrokken en rennen naar buiten. Velen hebben moeite om zich staande te houden. Meubilair verschuift en topzwaar meubilair kan omvallen. Voorwerpen vallen van schappen, water spoelt over uit vaten, tanks en zwembaden. Gebouwen vertonen aanzienlijke tot zware schade, van scheuren in muren, dakpannen die wegglijden tot schoorstenen die afbreken en in een enkel geval (gedeeltelijke) instorting/bezwijken van constructies.”

Koppeling intensiteit en grondversnelling

In onderstaand grafiekje van de RUG wordt de EMS-intensiteit gekoppeld aan de grondversnelling:

EMS en PGA

Bij de grondversnellingen zoals berekend door SodM komen we uit op intensiteit VIII tot IX – wat gepaard gaat met dramatisch forsere schade!

Zouden we dat terugvertalen naar de schaal van Richter, dan komt dit overeen met een beving met een kracht van 6,0 – 7,0:

Relatie EMS en Richter

PGA-waarden tijdens de Huizinge-beving

De beving bij Huizinge had volgens het KNMI een kracht van 3,6 op de schaal van Richter en een EMS-intensiteit van VI.

Die intensiteit valt niet te rijmen met de PGA-waarden van de versnellingsmeters in het betreffende gebied:

Relatie EMS en Richter

(Bron: KNMI, via website NAM)

Uitgaande van een PGA-waarde van 17,7 tot 85 cm/s2 komen we met behulp van het grafiekje van de RUG voor het gebied het dichtst bij het epicentrum uit op een intensiteit van VI tot VIII.

Dat klopt aardig met de ervaringen in en rond Huizinge. Woningen golfden en schokten op en neer en heen en weer, diverse kanten op. Mensen konden zich niet goed staande houden. Sommigen renden geschrokken naar buiten. Meer dan de helft van de gemetselde woningen in Middelstum (grootste plaats in het gebied) raakte beschadigd.

Kans op doden

Voor het scenario met een beving van 5,0 op de schaal van Richter komt Veiligheidsregio Groningen uit op score B (= “onwaarschijnlijk”) voor het criterium “Doden”:

Criteria IBP "Doden"

Dat lijkt mij iets te optimistisch ingeschat in het licht van de berekende aantallen doden in de tabel van het SodM (scroll naar boven).

Het maximale aantal doden bij een beving van 5,0 op de schaal van Richter is voor een gebied tot 15 km afstand van Huizinge berekend op 118. Wat zou het zijn voor een gebied tot 15 km afstand van Groningen, of tot 15 km afstand van Delfzijl + Chemiepark?

Samenvatting en conclusie

De Veiligheidsregio Groningen gaat in het IBP uit van een beving van 5,0 op de schaal van Richter, met een EMS-intensiteit van VII.

Dat is een onrealistisch scenario. Voor de beving bij Huizinge (“slechts” 3,6 op de schaal van Richter) is al een EMS-intensiteit van VI-VIII aannemelijk gemaakt.

Bovendien heeft het SodM voor een zware beving een bandbreedte met vrij hoge PGA-waarden berekend.

Baseert Veiligheidsregio Groningen zich op de risico-analyse van het SodM, dan moet men bij een beving van 5,0 op de schaal van Richter uitgaan van EMS-intensiteit VIII tot IX.

En daar horen hele andere scores op het risicoprofiel bij…

(Voor opmerkingen bij en aanvullingen op dit verhaal houd ik mij aanbevolen. Zie Contact voor mijn gegevens.)