Uitsluitingsbriefje voor Tjeenk Willink

Geachte heer Tjeenk Willink,

U heeft een paar partijen gevraagd om op papier te zetten waarom ze niet met elkaar door één deur kunnen – de zogenaamde uitsluitingsbriefjes.

Ons hier in Groningen is weer eens niks gevraagd, maar dat kunnen we u niet kwalijk nemen. Dat is staande praktijk. Groningen mag gas leveren, gas, gas en nog eens gas. Nu dat gas zorgt voor een industriële ramp van ongekende omvang, mogen de inwoners van deze prachtige provincie de Tienkamp doen. Naast ‘democratisch vernieuwende experimenten’ zoals de Dialoogtafel, hebben we ook de NAM-CVW-NCG-estafette, het Kastje-Muur doolhof, en de Oneindige Laaglandse Rechtsgang.

Nu zou u kunnen tegenwerpen dat uw partijgenoot Alders er toch is om ons te ontzorgen, maar als u een beetje televisie kijkt en kranten leest, dan weet u dat er heel erg veel onvrede is over diens ‘prestaties’ in Groningen. Op papier lijkt het heel wat, het Meerjarenplan van de NCG, maar de praktijk is weerbarstiger. Om met uw eigen woorden in de Kamer op 13 juni j.l. te spreken, bij ‘een gevoel van twijfel’ kun je niet gemakzuchtig zeggen: “We zijn eruit, met deze tekst kunnen we leven en dat is het dan”.

Vandaag bereikte mij het bericht dat demissionair minister Kamp het aan het volgende kabinet overlaat om te beslissen over wat ik de ‘Wet Onderkoning Alders’ noem. Een sjiekere benaming die meer in uw straatje past, is ‘lex specialis’. Weer anderen hebben het over de ‘Groningen-wet’.

Persoonlijk vind ik die wet der wetten het ultieme zwaktebod. We hébben namelijk al een heleboel wetten, en die zijn in de loop der eeuwen op vrij democratische wijze tot stand gekomen. Dat Shell en Exxon dwarsliggen bij de handhaving van die wetten, mag geen reden zijn om met een totaal nieuwe wet te komen. Wie is hier eigenlijk de baas, mijnheer Tjeenk Willink?

U stelde de Kamer op 13 juni een aantal vragen, die ook best over ‘Groningen’ hadden kunnen gaan. “Hoe werk je tegelijkertijd in en aan een bestaand stelsel? Zou het mogelijk zijn om op zijn minst na te denken over de vraag of we eerst duidelijkheid zouden kunnen scheppen, ook in de kabinetsformatie, over de context waarbinnen de discussie moet worden gevoerd en over de feiten die deze context bepalen? Zou het daarna mogelijk zijn om de bereidheid te tonen om de discussie toe te spitsen op het gemeenschappelijke doel dat moet worden bereikt en op het traject op korte en lange termijn dat daartoe kan leiden?”

Allemaal vragen die het ‘zelfreferentiële systeem’ daar in Den Haag de afgelopen 5 jaar allemaal zó ontwijkend en onheus en ondemocratisch heeft beantwoord dat de gedupeerde Groningers er, excuzes le mot, geen reet mee opschieten.

Dat komt natuurlijk door dat zelfreferentiële. Hoe de Haagse politici de Groningse gebeurtenissen ervaren, is bepalend voor de betekenis die ze voor hen hebben.

Vanmiddag brengt de demissionaire premier Rutte voor het eerst sinds de beving bij Huizinge een officieel bezoek aan het wingewest. Hij onderhoudt zich met een uiterst zorgvuldig geselecteerd gezelschap. Hij bekijkt scheuren en stutten. Inspecteert kofferwoningen. Gaat met de duimen omhoog op de foto bij een energieneutraal dorpshuis.

Allemaal leuk en aardig, maar dhr. Rutte ERVAART niks. Hij ERVAART geen continue dreiging van beving op beving op beving, in combinatie met bodemdaling en al die andere gevolgen van de gaswinning. Hij ERVAART geen rechteloosheid en willekeur. Hij ERVAART niet dat zijn woning onherkenbaar verandert, zijn financiële basis onder zijn voeten vandaan wordt getrokken, zijn bestaan uit elkaar valt. Hij ERVAART geen breuk met het verleden, en hij ERVAART ook geen enorme blokkade als hij naar de toekomst probeert te kijken.

Voor dhr. Rutte had onze ellende de afgelopen vijf jaar vooral de BETEKENIS van ‘een aderlating voor de schatkist’. Dat het een humanitaire ramp is, in de achtertuin van een van de welvarendste landen van de wereld, en een rechtsstatelijk affront  – dat voelt hij in zijn zelfreferentiële bubbel niet, en dus hecht hij er geen waarde aan.

Mijnheer Tjeenk Willink, ik rond af met mijn persoonlijke uitsluiting.

Ik sluit iedere maatregel uit die mede door Shell en Exxon is bedacht, die niet op democratische wijze tot stand is gekomen en die niet te verenigen is met alle denkbare toepasselijke wet- en regelgeving.

En ik sluit iedere politieke partij uit met een leider die vindt dat ‘we het daar in Groningen hartstikke netjes geregeld hebben’.

U heeft me niet om een uitsluitingsbriefje gevraagd, maar, om met uw eigen woorden te eindigen:

“Nooit wil ik het verwijt krijgen, noch dat mezelf kunnen maken: je stond erbij, je keek ernaar maar je deed niets; had het dan gezegd. Bij dezen.”

PS Ons hoeft u niet op te roepen om te bewegen. Dat doen we hier in Groningen al meer dan ons lief is.

Alles minachten wat buiten ons bereik ligt

Kijk ‘m wijs voor zich uit staren, deze oude Griek

Tot een paar jaar geleden onderhield ik op deze plek een ‘literair blog’. Toen literair/fictief schrijven niet meer lukte, ben ik over de gaswinning gaan schrijven. En toen dat niet meer lukte, was ik een tijdje stil.

Maar ik ben schrijver. Niet-schrijven is voor mij een soort sterven. Een bevingsgeïnduceerd sterven van de geest, zonder dat het lichaam onder het puin vandaan gehaald hoeft te worden. En er is de laatste jaren al genoeg gestorven of anderszins stuk gegaan in mijn leven. Dus ga ik toch maar weer es wat schrijven.

Ik kan niet toezeggen dat het nooit meer over gaswinning gaat. De hoofdmoot hoeft het echter niet te worden. Liever niet zelfs. De geest moet vrij zijn, of althans vrijheid nastreven.

Superliterair zullen de schrijfsels ook wel niet meer worden. Dat vergt toch een iets andere mindset dan mijn huidige. (En vrij veel inspanning. Daar heb ik de energie niet meer voor.)

Ter afscheid van wat was, volgt hieronder een ‘ouwetje’, van het voormalige literaire blog. In die tijd leefden de konijnen nog. En de poes. En Epiktetos lag blijkbaar op mijn nachtkastje. Geen idee waar hij nu uithangt – vermoedelijk staat hij te verstoffen tussen de andere filosofieboeken in de kast. Het zij zo. (Mijn tanden staan nog wel recht. Dat is tenminste iets.)

Gisteren heb ik eindeloos gelezen in Reve, ten dele hardop, en juist toen mijn stem brak na een pagina of veertig, kregen de schaduwen de overhand. Zwijgend zette ik me aan een kaarslicht-tekening van het bakje dat mijn ondertanden ’s nachts in model moet houden nu de beugel eruit is. Wie geen pijn wil lijden, moet mooi zijn, parafraseert de taalgoochelaar op flauwe wijze het aloude gezegde. Nu, wat er ook scheef is in mijn leven, die tanden zijn recht en blijven recht. Ik kan voortaan heel netjes bijten, hard ook (maar wil ik dat?)

Toen de tekening klaar was, deed ik boven- én ondergebit in om mijn Spaanse uitspraak te oefenen. De artificiële slis hielp enorm. “En la noche, juego con las estrellas, y ellas conmigo.” Ik wierp wat knaagjes naar de konijnen en luisterde naar hun lieve veganistische jachtgeluidjes, onderwijl bedenkend hoe idioot het is dat Randstedelingen liever naar het andere eind van de wereld reizen voor een mystieke ervaring in de pure natuur van een of andere bananenrepubliek, dan zich op een paar uur gaans van de urbane hectiek te wijden aan contemplatie, op een plek die weliswaar getergd wordt door aardbevingen, maar toch ook kan bogen op een relatief zuivere sterrenhemel, mits je de juiste kant uit kijkt.

Later, in bed al, las ik in het zakboekje van Epiktetos; nippend nam ik de woorden van de geliefde filosoof tot mij, zo stilletjes dronk ik ze in dat mijn hart opsprong van het plotselinge tiktiktik boven mijn hoofd. Eerst dacht ik aan jonge muizenvoetjes op weg naar huis, maar het was een verdwaasde mug, die het er maar wat moeilijk mee leek te hebben dat mijn leeslampje in al zijn energiezuinigheid geen verzengend einde meer bood.

Mijn God, wat een opdringerige symboliek, dacht ik, het hoofd gevuld met een niet onaangenaam revistisch-stoïsch mengsel. Want is het leven zélf niet een eeuwige strijd tussen het verlangen naar de warmte van het ouderlijke nest aan de ene kant, en het verlangen naar de dood  aan de andere kant? (Geen druppel had ik gedronken, ik zweer het u, slechts kamillethee tegen de heesheid.)

Beneden begon de poes onverdraaglijk te mauwen. Ze wordt oud, haar oren begeven het, ze eist op luide toon aandacht waar ze die eerder nog beleefd vroeg. Ik vervulde de laatste wens van de mug, deed mijn oordopjes in, knipte het licht uit en mompelde iets over Groningers die de beleefdheid moesten laten varen, met de vuist op tafel moesten slaan en het land voor zichzelf moesten opeisen. Maar daar zou de Meedogenloze Griek het wel weer niet mee eens zijn, met z’n “alles minachten wat buiten ons bereik ligt”.