Categorieën
Droomgedicht

Droom 9

De wind steekt zijn vinger op.
Ik kijk op en vraag wat hij wil.
“Even doorblazen”, zegt hij vrolijk.
Prompt gaan al mijn poriën open
en druipt de smurrie op de grond.
“Zeg hé,” brul ik,
“Ik heb net gestofzuigd.”
“Hoef je alleen nog te dweilen,” zegt de wind,
en blaast en passant mijn oren uit.
De propjes vliegen in het rond.
“Mijn ramen,” mopper ik,
“Ik heb een hekel aan lappen.”
“Zet ze dan open,” zegt de wind,
en hij streelt zachtjes mijn billen.
“Laat dat,” fluister ik,
“Ze trillen als pudding.”
“Juist lekker,” zegt de wind.

NM, 2011