Categorieën
Droomgedicht

Droom 18

Ik loop langs een kaarsrechte sloot.

Op het water drijft een platgeslagen hemellichaam,

even ver vóór me als mijn schaduw zich àchter me strekt.

“Psst,” zegt die laatste, “Potje lummelen?”

Ik snap niet zo goed wat-ie bedoelt,

maar de zon is een wakkere tante.

Vlug pakt ze haar spiegelbeeld

en werpt ‘m mijn jodelende schaduw toe.

Ik wil hun pret niet bederven,

en steek mijn handen steeds een

fractie te laat in de lucht.

Pas als de zon zo hoog aan de hemel staat

dat mijn schaduw geen been

meer heeft om op te staan,

stokt het spel.

NM, 2013