Categorieën
Droomgedicht

Droom 16

Ik stap in de kring

en het geroezemoes verstomt.

Een met pek bedekte man

scheidt weeë klanken af.

Omstanders gooien zakken veertjes leeg.

Die komen ook op mij terecht en dat kietelt.

Nu voel ik pas hoe naakt ik ben.

Ik huiver en giechel tegelijk.

De man valt stil. Zijn huls is nog niet

uitgehard, maar begint wel taai te worden.

Iemand plukt woorden uit de lucht

en rijgt ze aaneen tot broze boze zinnetjes.

Ik open mijn mond om me te verweren.

Net op dat moment zweeft er één naar binnen.

Ik verslik me. Het fakkellicht flikkert.

NM, 2013