Categorieën
Droomgedicht

Droom 20

Mijn bed prikt. Ik strijk over het

tijk, trek droge strootjes uit de

gaten, vermorzel een vlo.

Wat moet ik anders

nu de wonderdokter op zich laat wachten?

Het licht verschuift,

mijn blik schuift mee,

over het vermolmde plafond.

Ruim na het donker hoor ik

hoeven over de deurkruk schrapen.

Ik klem het schaamlederen beursje

onder mijn oksel

en bijt mijn laatste tanden stuk.

Hij houdt het kort.

“Sta op en wandel!”

Ik doe wat hij zegt.

Mijn beursje weigert hij.

“Talenten blief ik niet.

Ik wil je kracht hebben –

en daar lag je net nog middenin.”

NM, 2013

Categorieën
Droomgedicht

Droom 19

Ik wil het bloed eens flink rondpompen,

maar mijn fiets denkt daar heel anders over.

Terwijl ik het dorp uit rij,

begint het achterwiel te schommelen.

Ter hoogte van de Grote Weg,

die ik in razende vaart wil doorklieven,

staat een koe uit haar neusgaten belletjes te blazen.

Zodra ze mij en mijn wiel in de gaten krijgt,

komt ze in actie. Van de zadelstang en de dissident

maakt ze een megablazer. Een sliert grijs-doorzichtige

vogels pakt de zware bellen op

en vliegt wenkend de wolken in.

“Zeg, wie is hier de leider?” mopper ik,

en ik volg.

NM, 2013

Categorieën
Droomgedicht

Droom 18

Ik loop langs een kaarsrechte sloot.

Op het water drijft een platgeslagen hemellichaam,

even ver vóór me als mijn schaduw zich àchter me strekt.

“Psst,” zegt die laatste, “Potje lummelen?”

Ik snap niet zo goed wat-ie bedoelt,

maar de zon is een wakkere tante.

Vlug pakt ze haar spiegelbeeld

en werpt ‘m mijn jodelende schaduw toe.

Ik wil hun pret niet bederven,

en steek mijn handen steeds een

fractie te laat in de lucht.

Pas als de zon zo hoog aan de hemel staat

dat mijn schaduw geen been

meer heeft om op te staan,

stokt het spel.

NM, 2013