Het nieuwe Atlantis

“Dansen bij de vulkaan”, oude tekening van mijn hand (aquarel en Oost-Indische inkt)

Lange tijd was ik iemand die heel veel fictie las. Toen gebeurde er van alles, en werd ik iemand die uit tijdgebrek alleen nog reviews over nieuw uitgekomen fictie las. Toen gebeurde er weer van alles, en werd ik iemand die vooral duimendikke rapporten over gaswinning las.

In het kader van de geestelijke stabiliteit ben ik nu toch weer iemand die – ik wilde bijna schrijven: stiekem – fictie leest. Korte verhalen, dat lukt me inmiddels aardig. En dan het liefst korte verhalen die niks met de zure realiteit van alledag te maken hebben.

Dan kom ik al gauw uit op science fiction, en als er dan toevallig een groot schrijfster is overleden van wie ik in al die jaren dat er van alles gebeurde niets gelezen had… Ja, dan is 1+1 zelfs hier in het volkomen van logica gespeende wingewest Groningen 2.

Kort gezegd: ik duik tegenwoordig regelmatig onder in de zielewereld van Ursula K. Le Guin. In het algemeen is het goed toeven in dat domein. Maar soms blijkt het een aanmoediging voor de zorgen om hun slordig gestutte tunneltjes in mijn hart nog wat langer te maken. (Hoeveel hart blijft er over naarmate de Groningse gaswinningsjaren verstrijken? Heeft iemand dáár al “onafhankelijk” onderzoek naar gedaan?)

Zo las ik onlangs, in de vroege avond, “The New Atlantis”. Slechts 28 pagina’s, ik was er zó doorheen. Een goede nachtrust bezorgde het me echter niet.

Het verhaal uit 1975 bevat twee lijnen, die door elkaar heen lopen. De ene lijn is “realistisch”. (Spoiler: corpocratische wereld, gedoe met energie, vernieuwende techniek van zonnecellen wordt de kop in gedrukt, wetenschappers worden in heropvoedingskampen gestopt, en oh ja, doomsday-scenario want er stijgt in rap tempo een heel nieuw continent op uit de zee.)

De andere lijn is poëtisch, een vertelling van een groep wezens (mensen?) die zich langzaam ervan bewust worden dat zij bestaan, dat er tijd is, hier en nu, maar ook vroeger en later, dat er ruimte is, ver weg en dichtbij, en geluiden, hard en zacht, en licht in de duisternis. De wezens beginnen zich dingen te herinneren. Ooit waren er torens, straten. En terwijl hun bestaan diepte krijgt, horen zij stemmen, the voices of the great souls, the great lives, the lonely ones, the voyagers. Calling. Not often answered. “Where are you? Where have you gone?”

Naarmate zij zich meer herinneren van de wereld die zij denken te hebben verloren, komt die wereld tot leven. Of misschien, zo overpeinzen zij, is dit een droom. Maar het kan ook zijn dat de wereld waarin zij denken ooit te hebben geleefd, de droom is. Of dat zij in werkelijkheid eindeloos hebben gedroomd over het leven, maar het nooit geleefd hebben. En dan is dit, deze onbeweeglijkheid van waaruit een langgerekt ontdekken van het basisweefsel van bewustzijn en materie zich ontvouwt, het ontwaken in de bitterzoete realiteit.

Terwijl in de meer concrete verhaallijn de aarde met krachtige bevingen en grote grondverschuivingen reageert op het nieuwe continent dat in moordend tempo opstijgt uit de zee, komen de wezens in beweging. Omhoog willen ze, langs de verzonken torens van hun (droom-) stad. Omhoog, naar de zon. Ze gaan op zoek naar degenen die zo dringend en verlangend hebben geroepen. Want: We are here. Whose voice? Who called to us?

En dan wordt de wetenschapper afgevoerd door de corpocratische overheid, en zijn clandestiene vrouw (huwelijken zijn verboden) gaat naar hem op zoek in de immense chaos van doomsday. In de parallelle verhaallijn komen de wezens, helderder en levendiger dan ooit, uit de zee. Zij roepen de Groten der Aarde (die, zo stel ik me althans voor, eindeloos hebben gestreden om het leven in stand te houden, terwijl de wezens en masse in dromenland vertoefden):

“Where are you? We are here. Where have you gone?”

Het nieuwe Atlantis. Dat is nu. De aarde knalt uit elkaar onder het corpocratische geweld. Een enkeling roept, strijdt voor behoud van de aarde, voor bewust zijn. De massa geeft zich over aan (of is verstrikt geraakt in) een droom van het leven. Zouden zij echt pas ontwaken als het (bijna) te laat is?