Alles minachten wat buiten ons bereik ligt

Kijk ‘m wijs voor zich uit staren, deze oude Griek

Tot een paar jaar geleden onderhield ik op deze plek een ‘literair blog’. Toen literair/fictief schrijven niet meer lukte, ben ik over de gaswinning gaan schrijven. En toen dat niet meer lukte, was ik een tijdje stil.

Maar ik ben schrijver. Niet-schrijven is voor mij een soort sterven. Een bevingsgeïnduceerd sterven van de geest, zonder dat het lichaam onder het puin vandaan gehaald hoeft te worden. En er is de laatste jaren al genoeg gestorven of anderszins stuk gegaan in mijn leven. Dus ga ik toch maar weer es wat schrijven.

Ik kan niet toezeggen dat het nooit meer over gaswinning gaat. De hoofdmoot hoeft het echter niet te worden. Liever niet zelfs. De geest moet vrij zijn, of althans vrijheid nastreven.

Superliterair zullen de schrijfsels ook wel niet meer worden. Dat vergt toch een iets andere mindset dan mijn huidige. (En vrij veel inspanning. Daar heb ik de energie niet meer voor.)

Ter afscheid van wat was, volgt hieronder een ‘ouwetje’, van het voormalige literaire blog. In die tijd leefden de konijnen nog. En de poes. En Epiktetos lag blijkbaar op mijn nachtkastje. Geen idee waar hij nu uithangt – vermoedelijk staat hij te verstoffen tussen de andere filosofieboeken in de kast. Het zij zo. (Mijn tanden staan nog wel recht. Dat is tenminste iets.)

Gisteren heb ik eindeloos gelezen in Reve, ten dele hardop, en juist toen mijn stem brak na een pagina of veertig, kregen de schaduwen de overhand. Zwijgend zette ik me aan een kaarslicht-tekening van het bakje dat mijn ondertanden ’s nachts in model moet houden nu de beugel eruit is. Wie geen pijn wil lijden, moet mooi zijn, parafraseert de taalgoochelaar op flauwe wijze het aloude gezegde. Nu, wat er ook scheef is in mijn leven, die tanden zijn recht en blijven recht. Ik kan voortaan heel netjes bijten, hard ook (maar wil ik dat?)

Toen de tekening klaar was, deed ik boven- én ondergebit in om mijn Spaanse uitspraak te oefenen. De artificiële slis hielp enorm. “En la noche, juego con las estrellas, y ellas conmigo.” Ik wierp wat knaagjes naar de konijnen en luisterde naar hun lieve veganistische jachtgeluidjes, onderwijl bedenkend hoe idioot het is dat Randstedelingen liever naar het andere eind van de wereld reizen voor een mystieke ervaring in de pure natuur van een of andere bananenrepubliek, dan zich op een paar uur gaans van de urbane hectiek te wijden aan contemplatie, op een plek die weliswaar getergd wordt door aardbevingen, maar toch ook kan bogen op een relatief zuivere sterrenhemel, mits je de juiste kant uit kijkt.

Later, in bed al, las ik in het zakboekje van Epiktetos; nippend nam ik de woorden van de geliefde filosoof tot mij, zo stilletjes dronk ik ze in dat mijn hart opsprong van het plotselinge tiktiktik boven mijn hoofd. Eerst dacht ik aan jonge muizenvoetjes op weg naar huis, maar het was een verdwaasde mug, die het er maar wat moeilijk mee leek te hebben dat mijn leeslampje in al zijn energiezuinigheid geen verzengend einde meer bood.

Mijn God, wat een opdringerige symboliek, dacht ik, het hoofd gevuld met een niet onaangenaam revistisch-stoïsch mengsel. Want is het leven zélf niet een eeuwige strijd tussen het verlangen naar de warmte van het ouderlijke nest aan de ene kant, en het verlangen naar de dood  aan de andere kant? (Geen druppel had ik gedronken, ik zweer het u, slechts kamillethee tegen de heesheid.)

Beneden begon de poes onverdraaglijk te mauwen. Ze wordt oud, haar oren begeven het, ze eist op luide toon aandacht waar ze die eerder nog beleefd vroeg. Ik vervulde de laatste wens van de mug, deed mijn oordopjes in, knipte het licht uit en mompelde iets over Groningers die de beleefdheid moesten laten varen, met de vuist op tafel moesten slaan en het land voor zichzelf moesten opeisen. Maar daar zou de Meedogenloze Griek het wel weer niet mee eens zijn, met z’n “alles minachten wat buiten ons bereik ligt”.